Wie aan zeewater denkt, denkt al snel aan zout. Maar de oceaan wordt niet simpelweg steeds zouter. Er is een voortdurende balans tussen stoffen die aan het zeewater worden toegevoegd en stoffen die er weer uit verdwijnen.
Die aanvoer begint voor een deel op het land. Regenwater stroomt over rotsen en door de bodem en neemt onderweg kleine hoeveelheden mineralen mee. Rivieren brengen die stoffen naar de zee. Ook onder water komen mineralen vrij, bijvoorbeeld door vulkanische activiteit en door contact tussen zeewater en de aardkorst.
Tegelijkertijd verdwijnen er voortdurend mineralen uit het zeewater. Ze worden bijvoorbeeld opgenomen door zeedieren, hechten zich aan kleine deeltjes die naar de zeebodem zakken of worden door chemische reacties uit het water gehaald.
Zo ontstaat een natuurlijk evenwicht. De oceaan ontvangt mineralen vanuit het land en de zeebodem, maar raakt ze ook weer kwijt. Het zoutgehalte dat we vandaag meten, is daarmee het resultaat van een balans die al miljoenen jaren bestaat.
De zoute zee is dus geen stilstaand systeem. Achter elke liter zeewater gaat een voortdurende uitwisseling schuil tussen land, lucht, gesteente en organismen.